Yukos Onteigeningsprocedure

Voor Yukos begon de weg van succes, naar onteigening en vernietiging met belastingen. In wezen nam de Russische overheid belastingsschulden weg van verschillende dochtermaatschappijen en geaffilieerde ondernemingen van Yukos, die zelf ook belastingplichtigen waren (gevestigd in verschillende regio’s over heel Rusland) en wees ze de inkomsten van die bedrijven toe aan Yukos. In deze sectie wordt die procedure in detail besproken.

Van geen naar miljoenen belastingen

In september 2003, na een audit van drie maanden die in maart 2003 afgelopen was en waaruit een aantal afwijkingen naar voren waren gekomen die in juli 2003 rechtgezet werden, verklaarde de Russische fiscus dat Yukos geen belastingen meer verschuldigd was voor de jaren 2000 en 2001; in oktober en november 2003 werd dit bekrachtigd.

Niettemin informeerde de fiscus Yukos in december 2003 dat er een nieuwe audit zou uitgevoerd worden.

Anders dan de eerste audit, die maandenlang geduurd had, was de tweede audit al na amper 15 dagen afgelopen. De audit bestond uit 70 bladzijden met een bijlage van 284 aanvullende bewijsstukken. De conclusies ervan sloegen iedereen met verstomming en waren zonder weerga. Het zou het begin zijn van de strijd tussen Yukos en de Russische overheid.

Het auditverslag beweerde dat Yukos 79,6 miljard RUB (2,27 miljard EUR) te weinig belastingen betaald had voor het jaar 2000. Bovendien werd Yukos boetes opgelegd die opliepen tot 40% van de achterstallige belastingen en boeterente, zodat de uiteindelijke extra belastingschuld 99,4 miljard RUB (2,9 miljard EUR) bedroeg.

Analyse van de aan Yukos toegewezen belastingschulden bij de nieuwe aanslag

Van 2000 tot en met 2003 had Yukos, net als de meeste ondernemingen van die omvang in Rusland, een deel van zijn handelsactiviteiten via dochtermaatschappijen en geaffilieerde bedrijven uitgevoerd. De handelsondernemingen waren geregistreerd als aparte belastingplichtigen in de Russische Speciale Economische Zones (SEZ’s) en andere investeringsgebieden. Dit zijn economisch gestagneerde gebieden, vaak op geografisch moeilijk bereikbare locaties, of op locaties waar in de Sovjetperiode militaire of nucleaire activiteiten uitgevoerd werden. Onder de Russische Federale wetgeving, mochten dergelijke gebieden het lokale belastingreglement toepassen waarbij de lokaal verschuldigde belasting op de bedrijfswinst aan een lager tarief berekend werd om bedrijven aan te moedigen om zich in die gebieden als belastingplichtige te registreren.

Met andere woorden, bedrijven die zich in die investeringszones om belastingredenen registreerden kregen van de Russische Federale wetgeving expliciet de toestemming om minder belasting op de bedrijfswinst te betalen. De door die bedrijven verschuldigde belasting op de bedrijfswinst aan het Federaal (tegenover het lokaal) belastingbudget werd niet beïnvloed door de locatie waar de belastingplichtige geregistreerd was.

De economische spelletjes van de Russische fiscus tegenover Yukos waren bedoeld om plots en zonder gegronde reden, de dochtermaatschappijen en handelsondernemingen met terugwerkende kracht als onbestaand in plaats van als aparte belastingplichtigen te beschouwen, en hun respectieve inkomsten te zien als inkomsten van Yukos zelf.

Het fundamentele zwakke punt van die benadering is dat er geen bepaling in de Russische wet is dat de fiscus ‘de aansprakelijkheid mag doorbreken’ en de inkomsten van het ene bedrijf aan een ander toeschrijven, zelfs als het een dochtermaatschappij, een afhankelijke of geaffilieerde entiteit is. Er is ook geen enkele bepaling in verband met een geconsolideerde belastingaanslag van bedrijfsgroepen of een gecentraliseerde inning van de totale belastingschuld van een moederbedrijf of houdstermaatschappij. Elk bedrijf moet zich registreren als een aparte belastingplichtige en zijn eigen individuele belastingen aangeven en betalen.

Kortom, de beslissing om de belastingstatus van derden aan Yukos te negeren, en vervolgens Yukos op die inkomsten te belasten, had geen wettelijke basis en was zonder precedent.

De rechtvaardiging die de fiscus naar voren schoof was dat de Yukosgroep olie exporteerde via verschillende handelmaatschappijen die geregistreerd waren in regio’s met gunstige belastingtarieven. De fiscus beweerde dat dit neerkwam op illegale belastingontduiking want het gebruik van handelsondernemingen geregistreerd in de speciale investeringszones had geen andere bedoeling dan minder belastingen te moeten betalen.

Er zijn drie onmiddellijke tegenstrijdigheden met betrekking tot de rechtvaardiging van de nieuwe belastingen:

  1. De meeste van de nieuwe schulden hadden niets te maken met de speciale investeringszones: ze hadden betrekking op de btw die overal in Rusland dezelfde was;
  2. Het verminderen van de belastingdruk op die manier was niet verboden, maar werd op een positieve en expliciete manier door de Russische wet toegestaan;
  3. Het doel van de gunstige belastingtarieven in de speciale investeringzones was om belastingregistratie aan te trekken in regio’s die anders economisch ongeschikt waren.

Die tegenstrijdigheden worden nog duidelijker in verband met de individuele belastingen. Hoewel Yukos voor de betreffende periode een herziening voor zeven verschillende soorten belastingen kreeg, had 95,5% van de totale nieuwe verschuldigde belastingen betrekking op twee belastingen: btw en over de winst verschuldigde bedrijfsbelasting. Hieronder gaan we er daarom dieper op in.

Btw

Van de nieuwe verschuldigde belastingen had 56% betrekking op de btw geheven op de omzet uit de export van olie van de handelsondernemingen in de betreffende periode. Die belastingschulden ontstonden als volgt.

De handelsondernemingen exporteerden olie en maakten aanspraak op de btw-vrijstelling waarop ze recht hadden. Maar de fiscus besliste om Yukos als de exporteur van de olie te beschouwen. Vervolgens hieven ze btw op de buitenlandse verkoop en rekenden ze die aan aan Yukos, omdat de handelsondernemingen, en niet Yukos, aanspraak gemaakt hadden op vrijstelling van btw. Toen Yukos nadien aanspraak maakte op btw-vrijstelling (door de ‘logica’ van de fiscus toe te passen), werd die vrijstelling nog steeds geweigerd.

Btw is een zuiver federale belasting die over heel Rusland aan hetzelfde tarief geheven wordt. Dus, hoewel verschillende verrichtingen aan verschillende tarieven belast worden, kan er geen btw bespaard worden door gebruik te maken van bedrijven in speciale investeringszones. De rechtvaardiging die het ministerie daarom gaf voor het toewijzen van de inkomsten, en bijgevolg voor de nieuwe belastingen aan Yukos, was helemaal niet van toepassing op de btw.

In de betreffende periode, was de omzet op olie-export ofwel vrijgesteld van btw (2000), ofwel onderworpen aan een btw-tarief van 0% (2001 – 2004), op voorwaarde dat de belastingplichtige bepaalde documenten voorlegde die bevestigden dat de olie effectief uitgevoerd was. De nieuwe belastingen die aan Yukos toegewezen werden had dus betrekking op omzet waarop helemaal geen belastingen verschuldigd waren.

De fiscus hield vol dat de vrijstelling/het btw-tarief van 0% niet van toepassing was op de omzet van de handelsondernemingen omdat Yukos de exportdocumenten die noodzakelijk waren om aanspraak te maken op het tarief onder Artikel 165 van het belastingwetboek ‘niet had ingediend’. Het Bedrijf werd daarom wettelijk verantwoordelijk gesteld voor de btw op de omzet van de handelsondernemingen aan het maximale tarief, wat 20% was in 2003-2004 en 18% in 2004.

De fiscus trok niet in twijfel dat de omzet in kwestie voortkwam uit exportverrichtingen die in aanmerking kwamen voor het tarief van 0%, noch dat alle noodzakelijke documenten door de handelsondernemingen zelf ingediend werden en in die tijd aanvaard werden door de fiscus. De aanvullende bewijsstukken waren bovendien beschikbaar voor de fiscus bij de audits die tot de nieuwe belastingen leidden en werden traditiegetrouw niet zomaar maandelijks naar de betreffende belastinginspectie gestuurd. Ook Yukos stuurde maandelijks informatie rechtstreeks door naar de fiscus.

Dus, de nieuwe btw-schuld kwam niet alleen voort uit economische activiteiten die onderworpen waren aan belastingen, maar ook uit de eigen nooit eerder voorgekomen en selectieve benadering van de fiscus om ‘de aansprakelijkheid te doorbreken’. De omzet uit de export die de handelsondernemingen ontvingen en aangaven werd toegekend aan Yukos, maar hun aanspraak op het 0% tarief voor export werd dat niet.

Belasting op de Bedrijfswinst

Zevenendertig procent van de nieuwe belastingen had betrekking op belasting op de bedrijfswinst (Engels : Corporate Tax Profit - CTP).

Er zijn twee soorten speciale investeringsgebieden die lager lokale belastingtarieven hanteren; de verschillende handelsondernemingen van Yukos waren in de twee types geregistreerd. Belastingplichtigen geregistreerd in die gebieden betaalden een lager tarief aan lokale CTP. Maar ze betaalden dezelfde federale CTP als iedereen in het land.

Voor elk van de betreffende jaren, pastte de fiscus de lagere tarieven met betrekking tot de handelsondernemingen effectief niet toe en hieven ze nieuwe bedrijfsbelastingen over de winst aan het maximale tarief. De daaruit voortvloeiende belastingschulden werden vervolgens aan Yukos toegewezen.

De fiscus rechtvaardigde deze benadering op grond van het feit dat het gebruik door de Yukosgroep van handelsondernemingen die in speciale investeringszones geregistreerd waren neerkwam op illegale belastingontduiking omdat het geen andere bedoeling had dan minder belastingen te moeten betalen. Conceptueel stelde deze benadering drie problemen.

Ten eerste, hoewel het ‘commercieel doel’ dat vereist was voor een belastingvermindering misschien vertrouwd is bij belastingsystemen in andere landen, was het (tot Yukos) totaal vreemd voor de Russische rechtscultuur, die strikt steunde op formele regels en geen idee had van wettelijke doch ‘corrupte’ belastingregelingen. Een regeling voor belastingvermindering voldeed aan de regels, of niet.

Ten tweede, waren de speciale investeringsgebieden geen exotische rechtsgebieden die een strijd voerden met Rusland om belastinginkomsten. De betreffende Federale belastingwetgeving liet hen expliciet toe om hun eigen lokale belastingtarieven te bepalen en de regels om er aanspraak op te maken, een politiek middel dat op een positieve manier de belastingconcurrentie in Rusland stimuleerde. Bovendien was het eigenlijke doel van de gunstige belastingtarieven in de speciale investeringszones het aanmoedigen van belastingplichtigen om zich te registreren in die regio’s die anders economisch niet aantrekkelijk waren.

Ten derde, en het belangrijkst van allemaal, was dat de beschuldigingen geen wettelijke basis boden om de belastingschulden van de handelsondernemingen toe te wijzen aan Yukos, ongeacht het feit of ze recht hadden op de lagere belastingtarieven of niet.

De fiscus bedacht drie wettelijke theorieën die hun beslissing om de belastingschulden van de handelsondernemingen toe te wijzen aan Yukos ondersteunden:

  1. Yukos was de ‘feitelijke eigenaar’ van de activa van de handelsondernemingen;
  2. De transacties van de handelsondernemingen waren fictieve transacties; en
  3. Het hele complex van belastingverminderingmechanismen was niet in goed vertrouwen opgesteld.

Geen enkele van deze theorieën zoals door de fiscus toegepast had enig juridisch precedent. Voor zover Yukos weet, is geen enkele van deze theorieën in gelijkaardige omstandigheden op een andere belastingplichtige toegepast.

De bezwaren van Yukos genegeerd – en twee dagen de tijd om te betalen

In januari 2004 tekende Yukos met een gedetailleerd document van dertig bladzijden bij de fiscus bezwaar aan tegen de nieuwe belastingen. Dit werd echter gewoonweg genegeerd – een vroeg voorbeeld van de ontelbare keren dat, in de loop van de Yukos-processen in Rusland, er geen rekening gehouden werd met de gerechtigheid en een eerlijk proces.

(Het moet gezegd dat, zelfs in dit beginstadium, internationale agentschappen bezorgd waren over het gebrek aan transparantie en eerlijkheid in de belastingprocedures van Yukos. Bijvoorbeeld, de “Jaarlijkse Economische Analyse van Rusland” van de OESO merkte in 2004 op dat de rechtszaken van Yukos neerkwamen op een ‘zeer selectief toepassen van de wet’ die ‘gerechtelijke ondergeschiktheid aan de uitvoerende macht, en een hoge mate van politisering van de veiligheidsdiensten, openbare aanklager en politie’ weerspiegelde).

De zaak bereikte een breekpunt toen, op 14 april 2004, de Russische overheid aan Yukos de nieuwe belastingen voor 2000 aanbood. Daarin stond dat het bedrijf slechts tot 16 april – dat wil zeggen, amper twee dagen – de tijd had om het zogezegd verschuldigde bedrag integraal te betalen. De betalingstermijn was heel kort, wat op zich al opmerkelijk was, maar bevatte ook een impliciete boodschap. 14 april was namelijk een feestdag voor het bedrijf, waarop de verjaardag van de oprichting van Yukos gevierd werd.

Ondanks de enorme bedragen in kwestie, en de buitengewoon korte tijd om te betalen, liet de fiscus zelfs die korte tijd niet verstrijken. Hij besloot integendeel dat het onnodig was om te wachten tot het einde van de ‘gratieperiode’ als er bewijs was dat het geschil tussen de fiscus en de belastingplichtige onoplosbaar was. Er werd bijgevolg een aanvraag ingediend om alle activa van Yukos te bevriezen, en er werd onmiddellijk begonnen met de uitvoering ervan en de facto met het onteigeningsproces.